Victoriaklasse onderzeeboten (Canada)


Laatst aangepast: 29-07-2015

De vier onderzeeboten van de Victoriaklasse vormen het onderzeese wapen van de Canadese marine. De vier zijn grote diesel-elektrische onderzeeboten en zijn overgenomen van de Britse marine. De Victoriaklasse kent vele technische tegenslagen.

Canada onderzeeboot
Een onderzeeboot van de Victoriaklasse. (Foto: Royal Canadian Navy)



Upholder
In 1983 begon de bouw van de eerste Type 2400 onderzeeboot, HMS Upholder. In totaal zouden er 19 voor de Royal Navy gebouwd moeten worden. Maar door de het einde van de Koude Oorlog rond 1990, werd flink bezuinigd op de Britse defensie. Op 5 juli 1993 werd bekend gemaakt dat de Britse Submarine Service moest afslanken. Alle diesel-elektrische boten moesten weg en de Royal Navy zou voortaan alleen nucleaire subs hebben. Van 20 nucleaire onderzeeboten en 12 diesel-elektrische (inclusief 4 Upholders) gingen de Britten naar 12 nucleaire subs.

Op dat moment was HMS Upholder net in dienst en aan drie andere werd gewerkt. Besloten werd om deze boten af te bouwen en te verkopen. De resterende boten van de Upholderklasse werden nooit gebouwd en de eerste vier werden in 1994 tegen de kant gelegd in afwachting op een koper. De vier waren echter wel, zij het kort, ingezet in de Atlantische Oceaan, Middellandse Zee en HMS Unicorn was zelfs al zes maanden op reis geweest East of Suez met operaties en oefeningen in de Indische Oceaan, Perzische Golf en Golf van Oman.

De Upholders waren op veel vlakken een sprong vooruit vergeleken met de oude Oberonklasse: ze hadden goede vaareigenschappen onder water, waren erg stil en hadden goede vuurleiding en sonar, maar er was ook veel mis.

Canada onderzeeboot
De centrale van een Victoriaklasse onderzeeboot, met op de voorgrond de periscoop en op de achtergrond de beeldschermen voor de sensoren. (Foto: Royal Canadian Navy)

Voormalig commandant van zowel Britse conventionele als nucleaire onderzeeboten, Dan Conley, was als marineofficier betrokken bij de proefvaart en overdracht van de werf aan de Britse marine. Conley schrijft in zijn boek "Cold War Command" over de "serieuze technische tekortkomingen" die hij en zijn collega's van Commodore Naval Ship Acceptance (CNSA) aantrof:

• de Upholders hadden problemen door de automatisering aan boord;
• HMS Upholder had tijdens de proefvaart te maken met een stroomstoring en wegvallen van voortstuwing door een ontwerpfout. Dit werd na maanden hersteld.
• De boten bleken een bereik te hebben van 4.000 zeemijlen, in plaats van 8.000.
• Het ernstigste veiligheidsprobleem was de (complexe) torpedolanceerinrichting. De (buitenste) torpedoluiken konden onverwachts open gaan terwijl de binnenste deur van de torpedobuis open was. In korte tijd zou daardoor een enorme hoeveelheid water naar binnen komen.
• De snuivermast vervormde door de hitte tijdens het snuiveren (onder water varen op diesels met een snorkel om batterijen op te laden). Het gevolg werd gemerkt in de praktijk: tonnen zeewater via de snuiver in de machinekamer.
• Uitlaatgassen van diesels kwamen voortdurend over de brug. Dit was niet alleen slecht voor de gezondheid van de mensen op de brug, het zicht werd ook nog eens beperkt.
• Veel apparatuur was slecht toegankelijk voor reparatie en vervanging.
• Beperkte ruimte voor de bemanning. Volgens Conley was het een generatie terug.
• De twee diesels, oorspronkelijk bedoeld voor treinen, voldeden niet aan de zware eisen op een onderzeeboot.

Problemen zijn er bij een nieuwe klasse wel vaker (denk aan de Nederlandse M-fregatten of de Johan de Witt), maar hoewel een deel werd opgelost, bleken andere problemen hardnekkig. Conley omschreef het ontwerp van de Upholder in z'n geheel als "very disappointing".

Stephen Saunders van Jane's Fighting Ships, zei zelfs dat er iets "fundamenteel mis is" met deze onderzeeboten.

De tekortkomingen werden zoveel mogelijk hersteld en ook een onderzoekscommissie had vertrouwen in de kwaliteit van de boten.

Canada onderzeeboot
Type 2400 onderzeeboot. (Bron: Royal Canadian Navy)

Naar Canada
In 1980 begon de Canadese marine met de vervanging van hun Oberonklasse onderzeeboten. De Oberons, ook van Britse makelij, moesten rond 1990 vervangen worden, na 25 jaar dienst. Sinds de Eerste Wereldoorlog waren er geen onderzeeboten meer gebouwd in Canada en daarom was het gedwongen om een boot in het buitenland te bestellen.

De Canadese Onderzeedienst opereert, net als de Australische en Nederlandse, het liefst met relatief grote boten ver van huis. Canada overwoog daarom de volgende ontwerpen: de Nederlandse Walrusklasse, Zweedse Nšckenklasse, een aantal Duitse ontwerpen waaronder TR-1700 en de Type 2400 (Upholder) van de Britse marine.

Het project was een eind gevorderd toen in 1985 een ijsbreker van de Amerikaanse kustwacht een reis maakte in arctische wateren. De Canadese aanspraak op de Arctic werd weer actueel en in Canada maakte men zich zorgen dat Britse, Amerikaanse en Russische nucleaire onderzeeboten ongestoord gebruik konden maken van Canadese arctische wateren. Maar het opereren onder het ijs was vrijwel uitsluitend voorbehouden aan nucleaire onderzeeboten.

Een nieuwe, conservatieve, regering zei in 1986 daarom maar liefst 10 tot 12 nucleaire onderzeeboten te overwegen. Er werd onderzoek gedaan naar aanschaf van zowel Britse als Franse nucleaire onderzeeboten. Het was niet de eerste keer dat Canada navraag deed; al drie keer eerder waren de Britten en Fransen geconsulteerd over nucleaire subs. Steeds bleken kernonderzeeŽrs te duur. Toen in 1989 de Koude Oorlog eindigde en een progressieve regering aan de macht kwam, ging het plan de prullenmand in.



De Oberons waren inmiddels 9 jaar ouder geworden en moesten dringend vervangen worden. De eerste van de drie Oberons werd uit dienst gesteld, een vervanger was nog steeds niet in zicht. De Nederlandse Walrusklasse was ondertussen geen echte optie meer, omdat volgens Canada deze boten bijna waren afgebouwd en de schaalvoordelen dan verloren zouden zijn gegaan. (Eind jaren '80 heeft Nederland lang overwogen om ook een vijfde en zesde Walrus te bouwen, dan hadden de Canadezen toch meegekund. Maar dat terzijde.)

En de Duitse onderzeeboten bleken te klein voor de grote afstanden. Wel werden de Britten nog eens gepolst, maar dan met betrekking tot hun Upholderklasse. De Canadese regering aarzelde achter en stelde een besluit uit, en de volgende regering in 1993 richtte zich volledig op ontwapening. Er bestond een kans dat de Canadese Onderzeedienst zou worden opgeheven: het zou een relikwie zijn uit de Koude Oorlog.

Maar de Canadese subs mochten blijven en in 1994 werd besloten toch nieuwe boten aan te schaffen. Althans, Canada had zo lang getreuzeld dat voor nieuwe boten geen geld en tijd meer was.

Toch diende zich een oplossing aan. Een buitenkansje. Want in 1993 had de Britse marine afstand moeten doen van hun Upholders, en de Britten namen contact op met Canada om de vier gebruikte boten aan te bieden. Andere landen waren ook geÔnteresseerd, zoals Zuid-Afrika, Portugal en Griekenland, maar Canada kreeg de eerste optie.

De deal leek perfect. De Upholders vormden de ideale mogelijkheid om snel, goedkoop, goede boten te kopen bij het nauwverwante Groot-BrittanniŽ, het land waar ook de Oberons vandaan kwamen. Hoe ideaal het ook leek, het duurde vier jaar voor de deal kon worden afgerond. Voornaamste oorzaak: de Canadese politiek lag dwars, ondanks de 1994 Defence White Paper, waar de regering het voornemen tot aanschaf van de Upholders had gemeld. Pas toen de Verenigde Staten en Groot-BrittanniŽ de Canadese politici in klare taal lieten weten dat de aankoop perfect was, ging Canada overstag.

Op 2 juli 1998 maakte de Canadese Minister van Defensie Art Eggleton bekend dat Canada de vier Upholders wilde kopen en in dienst zou stellen als Victoriaklasse. Op diezelfde dag werd direct een contract getekend voor een lease van 8 jaar, met een optie tot koop. De waarde van het leasecontract was 1 miljard dollar, de boten zouden daarna voor 1 pond worden verkocht.

In 1998 en in 2000 werden de laatste twee Canadese Oberons uit dienst gesteld en had de Canadese onderzeedienst even geen boot om de kennis en ervaring op peil te houden. Dat had niet zo'n probleem geweest als de nieuwe Victoriaklasse zoals gepland vanaf 2000 met intervallen van 6 maanden in dienst zou komen. Maar dat liep heel anders.

Canada onderzeeboot
HMCS Victoria. (Foto: Royal Canadian Navy)

Weinig geld en geen plezier
In Canada werden de nieuwe subs gezien als een koopje. Maar vele nieuwe en hardnekkige problemen verpestten het positieve gevoel totaal. Canada heeft veel tijd en geld moeten steken in het herstellen van de onderzeeboten, deels was dit veroorzaakt door fouten die al in het ontwerp zaten, maar ook doordat de boten vrij lang tegen de kant hadden gelegen door de Canadese besluiteloosheid.

In 2014 waren drie van de vier boten eindelijk verlost van de grootste problemen, zij het dat twee van die drie beperkingen hebben opgelegd gekregen. Nummer vier, HMCS Corner Brook, zal waarschijnlijk ook voorgoed beschadigd zijn. Al zal de grootte van de permanente schade waarschijnlijk pas in 2017 bekend worden.

Hoewel de grootste problemen van de Victoriaklasse zo langzamerhand achter de rug zijn en de boten -mits ze inzetbaar zijn- goed presteren, is het de vraag hoeveel plezier Canada er nog aan kan beleven. De bouw van de eerste Upholder begon in 1983 en de eerste kwam in 1990 in dienst. Waar leeftijdgenoten van de Walrusklasse een heel leven achter de rug hebben met ontelbare oefeningen en (geheime) missies, moet de Victoriaklasse nu beginnen. Maar de boten zijn inmiddels op leeftijd en de techniek raakt verouderd. Het koopje werd een dure les.

De belangrijkste oorzaken van de problemen waren de volgende:
• De Canadese politiek had de aanschaf van nieuwe onderzeeboten zoveel vertraagd dat 1) Canada zelf niet betrokken kon worden bij ontwerp en bouw van hun boten, waardoor het op voorhand geen kennis kon vergaren over de onderzeeboten, 2) de Upholders erg lang stil hadden gelegen en heel veel werk gedaan moest worden om de boten weer op niveau te krijgen en 3) de Oberons al uit dienst waren voordat de nieuwe boten in dienst kwamen en dus ontzettend veel kennis verloren ging.
• De Canadese marine had de sprong in technologie van de Oberons (jaren '60) naar de Upholders (jaren '90) onderschat. Er was niet voldoende kennis over de modernste onderzeeboten bij de bemanningen en technici op de wal. Moderne onderzeeboten zijn zeer complex en bestaan uit zo'n 500.000 onderdelen.
• Bij de verkoop van de boten was ook training en de aanschaf van simulatoren inbegrepen, maar ook dat verliep met vertraging en met de nodige tekortkomingen doordat ook bij de Britse marine (10 jaar na afstoten Upholder) kennis was verloren en procedures waren gewijzigd.
• Er zaten fouten in het oorspronkelijke ontwerp van de Upholders.
• De boten waren uniek en al even uit productie: niet alle onderdelen werden nog geproduceerd en geen enkel ander land of andere werf had ervaring met de Upholders. De Canadezen moesten dus veel zelf uitvinden.
• Canada had zich in 2001 gecommiteerd aan de "War on terror" na de aanslagen op 11 september, en deed mee aan de grote operatie zonder dat de budgetten verhoogd werden. Het geld moest uit het bestaande defensiebudget komen en ging o.a. ten koste van het opstarten van de nieuwe onderzeeboten.

De commissie die onderzoek deed naar de Victoriaklasse schreef in haar rapport het volgende: "Some of the problems could have been avoided if Canadian defence policy had been clearer and regularly updated during the period when the Navy considered its options concerning the replacement of its old Oberons. They would have been avoided if the complexities of the acquisition of previously owned submarines had been regularly evaluated. A can do attitude is a very commendable thing, but there should also be an objective reassessment of the pros and cons of pursuing an acquisition when there are signs that problems might become unmanageable or might create significant delays in obtaining the desired capabilities."

Hieronder de problemen van de boten op een rij.

Canada onderzeeboot
In geen enkel land zijn onderzeeboten 100% beschikbaar voor training of operaties. In veel landen zijn boten 6 tot 8 jaar beschikbaar en gaan dan 2 jaar in onderhoud. Dat gaat echter niet op voor de Canadese onderzeeboten.

HMCS Victoria
In mei 2000 zou de eerste onderzeeboot van de Upholderklasse in Canadese dienst komen. Tijdens de voorbereiding (de subs moesten aangepast worden voor de MK 48 torpedo's die de Canadezen in dienst hebben), bleek echter dat er iets mis was met de lasnaden in leidingen op alle vier de onderzeeboten. Extra werkzaamheden vertraagden de overdracht tot 6 oktober. Op 2 december 2000 werd HMS Unseen, HMCS Victoria.

Na de oversteek werd HMCS Victoria direct naar de werf gevaren voor onderhoud. Dit zou zes maanden duren, maar nam maar liefst drie jaar in beslag. Na de onderhoudperiode was de onderzeeboot echter nog steeds niet inzetbaar. In 2004 en 2005 moest het zeer regelmatig terug naar de werf en in 2005 werd besloten de Victoria gedurende twee jaar te repareren. In 2006 bleek dat technici door een fout grote schade aan de onderzeeboot hadden aangebracht. Pas in 2011 kon de Victoria het droogdok verlaten en koos het zee.

Tussen 2000 en 2010 was HMCS Victoria slechts 115 dagen op zee (Nederlandse onderzeeboten zijn 100 dagen per jaar op zee). Sinds 2012 is HMCS Victoria operationeel.


Prachtige beelden van de torpedokwalificatie van HMCS Victoria en daarna deelname aan ťťn van de grootste marineoefeningen ter wereld: RIMPAC. Met als hoogtepunt het torpederen van een afgeschreven marineschip.

HMCS Windsor
Op 6 augustus 2001 werd HMS Unicorn overgedragen aan Canada. Na dik twee jaar werken, werd de onderzeeboot als HMCS Windsor, op 4 oktober 2003 in dienst gesteld. HMCS Windsor is de enige onderzeeboot aan de oostkant van Canada. De onderzeeboot was operationeel tot en met 2007, maar toen de sub het onderhoud in ging bleek dat er een gevaarlijke hoeveelheid roest was gevormd. De maximum duikdiepte van HMCS Windsor werd gelimiteerd. Ook kampte HMCS Windsor met problemen met lasnaden in de romp, niet goed werkende torpedobuizen, problemen met het roer en de sonarabsorberende tegels aan de buitenzijde van de boot vielen er continu af. De boot gleed in april 2012 weer het water in. Vrij snel daarna bleek dat er ernstige problemen waren met de diesels. In maart 2014 kon HMCS Windsor het dok weer in, waar het in oktober 2014 weer uit kon.

Canada onderzeeboot
HMCS Corner Brook. Op deze foto's zijn de tegels (op de toren) die de sonarsignalen moeten absorberen goed te zien. (Foto: Royal Canadian Navy)

HMCS Corner Brook
HMS Ursula werd op 21 februari 2003 overgedragen en op 26 juni 2003 in dienst gesteld als HMCS Corner Brook. Tijdens onderhoud in 2006 werden verhoogde loodwaarden gemeten. Vanaf 2006 t/m 2008 nam de onderzeeboot deel aan een aantal oefeningen (met succes), maar was in totaal slechts 81 dagen op zee. Desondanks leken de grote problemen van de andere subs aan HMCS Corner Brook voorbij te zijn gegaan. Tot 2011. In juni van dat jaar liep HMCS Corner Brook nabij Vancouver aan de grond. De schade aan de boeg was groot en sommigen beweerden dat de boot niet meer te herstellen zou zijn. Corner Brook lag tegen de kant tot 2014 en de herstelwerkzaamheden begonnen in juli van dat jaar. In 2017 moet HMCS Corner Brook weer gerepareerd zijn.

dagen op zee onderzeeboten
Gemiddeld zijn er 100 vaardagen per jaar per Nederlandse onderzeeboot. Daarmee scoort de Nederlandse Onderzeedienst erg hoog. De Canadese onderzeeboten liggen het vaakst in de haven. Canada en Nederland hebben 4 onderzeeboten, de andere landen in dit overzicht 5 of 6.

HMCS Chicoutimi
HMCS Chicoutimi is de boot met verreweg de meeste tegenslagen. Dat begon al toen HMS Upholder als laatste boot werd voorbereid op de overdracht: staal in het binnenste van de boot bleek verroest, kleppen bleken gescheurd, pompen waren kapot en er was apparatuur verwijderd om te gebruiken voor een andere onderzeeboot. De ellende leek voorbij toen op 2 oktober 2004 HMS Upholder werd overhandigd en in dienst werd gesteld als HMCS Chicoutimi, in Schotland.

HMCS Chicoutimi verliet een paar dagen later Faslane voor de oversteek naar Halifax. Op 5 oktober voer de boot tijdens zeer slecht weer aan de oppervlakte boven Ierland. Door een golf kwam 2.000 liter zeewater de boot in via een verkeerde afdichting in de toren van de boot, en stroomde in de ondergelegen commandocentrale. Het zeewater veroorzaakte kortsluiting en een grote brand. Direct viel alle stroom uit aan boord. Negen bemanningsleden ademden rook in en het schip raakte op drift in de hoge golven. De reddingsoperatie kwam moeizaam op gang, maar uiteindelijk lukte het om drie zwaargewonde bemanningsleden te evacueren en de brand te blussen. Eťn van de drie bemanningsleden overleed in het ziekenhuis.

De gehavende Canadese onderzeeboot werd teruggesleept naar Faslane, waar een aantal reparaties werd uitgevoerd. Begin 2005 werd HMCS Chicoutimi op een groot liftschip gezet en getransporteerd naar Canada voor een grote hersteloperatie van 10 jaar (!). Op 3 december 2014 werd HMCS Chicoutimi door de werf weer overgedragen aan de Canadese marine. Wel werd bekend dat de boot alleen ingezet kan worden voor operaties in ondiep water.


Unieke, recent opnieuw gepubliceerde beelden, van de reddingsoperatie na de brand aan boord van de Chicoutimi.

Ontwerp
De onderzeeboten hebben een enkele huid, gemaakt van NQ1 hoge rekgrensstaal. Aan de buitenzijde van de boten zijn 22.000 tegels geplaatst om sonarsignalen te absorberen, zodat de boot moeilijker op te sporen is met actieve sonar.

Bovenop de 48 bemanningsleden is plaats voor vijf extra personen.

De boten zijn diesel-elektrisch en hebben geen AIP (luchtonafhankelijke voortstuwing).

Sensoren en wapensystemen
De Victoriaklasse maakt gebruik van vooral Britse sensoren, inclusief een Type 2046/ CANTASS MOD gesleepte sonars voor detectie van lage frequencies op grote afstand. De boten hebben twee periscopen: de Thales CK035 electro-optical navigatie periscoop en de Thales CH085 optronische aanvalsperiscoop. De laatste is voorzien van een low light tv- en infraroodcamera, waarvan de beelden worden getoond op beeldschermen.

Het belangrijkste wapen is de Mk 48 torpedo. Deze torpedo is verouderd en wordt vervangen door de Mk 48 Mod 7AT. Er is ruimte voor 18 torpedo's en de boten hebben zes boegbuizen. Behalve Amerikaanse torpedo's, kunnen ook Britse torpedo's worden gelanceerd, mijnen en Harpoon antischeepswapens, maar deze zijn waarschijnlijk niet in bezit van de Canadese marine.



Levensverlengend onderhoud en vervanging
De Canadese marine is in 2015 begonnen met levensverlengend onderhoud van de Victoriaklasse. Het programma zal tussen 1,5 en 3 miljard Canadese dollar kosten en moet de boten inzetbaar houden tot 2033.

Er zijn nog geen concrete plannen om de Victoriaklasse te vervangen, maar sinds 2012 probeert de Canadese marine de vervanging op de politieke agenda te krijgen. Dat is ook in het buitenland opgemerkt. Een delegatie van de Duitse onderzeebootbouwe HDW/ TKMS maakte in 2012 deel uit van een handelsdelegatie naar Canada.
Canada is vooralsnog erg druk met een voor Canadese begrippen ambitieus nieuwbouwprogramma voor oppervlakteschepen.

Nummer Naam In dienst
876 Victoria (ex-Unseen) 2001 (bij de Royal Navy in dienst gesteld in 1991)
877 Windsor (ex-Unicorn) 2001 (1993)
878 Corner Brook (ex-Ursula) 2002 (1992)
879 Chicoutimi (ex-Upholder) 2004 (1990)
Afmetingen 70,3 x 7,6 x 6,5
Max. waterverplaatsing 2400 ton (onder water)
Max. snelheid Boven water 12 knopen, onder water 20 knopen
Bemanning 48
Voortstuwing Diesel-electrisch
Wapensystemen MK 48 torpedo's
Sensoren Kelvin Hughes Type 1007 oppervlakteradar
Thomson Sintra Type 2040 sonar
Hermes Electronics MUSL towed array





Marineschepen.nl
Contact
Over deze site
Blijf op de hoogte via:
Twitter
Facebook
Flickr
Copyright
Alle rechten voorbehouden.

Sinds 13 augustus 2001



Menu
Nederlandse marineschepen
Belgische marineschepen
Marineschepen wereldwijd

Gerelateerde artikelen
Onderzeeboten

Canadese sub in brand
Onderzeeboot op sleeptouw