Europese defensiesamenwerking: erop of eronder voor Nederlandse industrie


Door: Jaime Karremann
Bericht geplaatst: 14-11-2017 | Laatst aangepast: 14-11-2017


Maandag hebben 23 landen een belangrijke stap gezet in Europese defensiesamenwerking. De samenwerking biedt veel kansen, maar ook de nodige uitdagingen voor de Nederlandse industrie. De grote landen moeten hun industrieŽn niet te veel voortrekken, "anders worden de industrieŽn van de kleinere landen de nek omgedraaid," zegt Ron Nulkes, voorzitter van de NIDV.

Somme en Sachsen
Frankrijk en Duitsland gaan aan kop in de samenwerking. In beeld het Duitse fregat FGS Sachsen dat tankt bij het Franse bevoorradingsschip FS Somme. (Foto: Jaime Karremann/ Marineschepen.nl)

'Permanent structured co-operation', ofwel PESCO, heet het plan. In het Engels, ondanks dat Groot-BrittanniŽ en Ierland het akkoord niet hebben ondertekend. Nederland was wel een van de ondertekenaars.



Het is een belangrijke stap in de richting van defensiesamenwerking binnen Europa, een die al vijftien jaar geleden was ingezet maar jarenlang bleef liggen. Na het vertrek van Groot-BrittanniŽ uit de EU, pakten Frankrijk en Duitsland de plannen gezamenlijk op en met succes.

De nieuwe samenwerkingsplannen zijn geen Europese krijgsmacht, landen afzonderlijk beslissen nog altijd of hun mensen en middelen worden ingezet. Toch is de samenwerking niet vrijblijvend, de landen verbinden zich juridisch aan bijvoorbeeld ieder 2% van het budget te investeren in ontwikkeling en onderzoek, al dan niet samen met andere landen, en een jaarlijks defensieplan en deelname aan de PESCO-missies (alleen als alle landen daartoe besluiten).

Minister van Defensie Ank Bijleveld zal begin volgend jaar met een defensienota komen met keuzes voor Defensie.



Grootsere plannen
PESCO, de samenwerking waar vandaag voor is getekend richt zich op intensievere samenwerking bij het gezamenlijk ontwikkelen en aanschaffen van defensiemiddelen. Het doel is om meer interoperabiliteit en schaalvoordelen te behalen. Daarnaast richt de samenwerking zich op gereedheid en bereidheid tot deelname aan EU-missies en operaties.

Dat betekent niet direct dat alle landen dezelfde schepen en helikopters moeten hebben. Al heeft dat z'n voordelen en zou dat in het verschiet kunnen liggen. Kijk naar de Belgisch- Nederlandse Marinesamenwerking die stamt uit 1948. Beide landen varen sinds de jaren '80 met dezelfde mijnenjagers en sinds een jaar of 12 met dezelfde fregatten.

Hoewel PESCO een grote stap is, zijn nog verdergaande plannen in de maak. Over een maand wordt besloten over een Europees defensiefonds waar vanaf 2021 5 miljard euro per jaar in zal zitten. Overigens zal 1 miljard van die 5 door 'Europa' worden betaald, de rest door de afzonderlijke landen en bedrijven.

NIDV-voorzitter Ron Nulkes is positief over die plannen: "Binnen Europa is een duidelijke lijn te herkennen voor intensievere samenwerking tussen de Lidstaten. We moeten daarom meeliften op de werkelijke situatie. Het gaat om veel geld dat beschikbaar komt en we moeten daar een rol in hebben. Ik sta er positief in."

Toch is het opletten geblazen. Want de plannen zijn op papier weliswaar mooi, Nederland moet met de kleine defensie-industrie wel scherp zijn. De NIDV, stichting Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid, die Nederlandse defensie- en veiligheidsbedrijven vertegenwoordigt, is al enige tijd "diepgaand in gesprek met het Ministerie van Economische Zaken, Defensie en de industrie, om te zorgen dat Nederland aan boord blijft." Blijft Nederland niet aan boord, is het de eigen industrie kwijt.

Duitsland en Frankrijk zijn de stuwende krachten achter de plannen, maar zijn ook de landen met de grootste defensie-industrieŽn. Daar komt bij dat bijvoorbeeld Naval Group (voorheen DCNS), bouwer van schepen en onderzeeboten, een staatsbedrijf is. Zij kunnen nu eenmaal goedkoper opereren in deze politieke markt. Zo zijn er meer landen met scheepswerven die in handen zijn van de staat. In Nederland is dat niet zo.

Nulkes pleit daarom ook voor een eerlijk speelveld in Europa, waarin de grote landen bereid moeten zijn om in te leveren. "Anders worden de industrieŽn van de kleinere landen de nek omgedraaid," zegt Nulkes. "De Nederlandse industrie is goed, maar er is nog geen gelijk speelveld. De Nederlandse politiek heeft gezegd serieus mee te willen doen, maar dan zijn zij ook verantwoordelijk voor eerlijke kansen voor de eigen industrie. Of dat lukt? Dat moet lukken. Anders hebben we een probleem."

NFR-90
De huidige generatie Westerse marineschepen stamt af van het NFR-90 project. Samenwerking hoe het niet moet, maar Nederland kwam er heel goed van af. (Illustratie: Jaime Karremann/ Marineschepen.nl)

Droom of drama?
Voor velen is een innige Defensiesamenwerking of zelfs een Europese krijgsmacht een droom. De een ziet kansen om verder te bezuinigen en de ander denkt dat Europa door meer samenwerking net zo slagvaardig kan zijn als de Verenigde Staten.

De afgelopen dagen stonden in diverse kranten staatjes met vergelijkingen tussen de VS en EU. Duidelijk is dat een homogenere materieelsamenstelling voordelen biedt. Dat is binnen een marine zo en ook binnen de EU. Maar de Amerikanen worden in deze voorbeelden onterecht als efficiŽnt neergezet. Veel Amerikaanse systemen zijn juist door de schaalgrootte onnodig duur (de nieuwe SPY-6 radars, Seawolfklasse onderzeeboten, Fordklasse vliegkampschepen, LCS en vast ook diverse vliegtuigprojecten). Schaalgrootte heeft zijn voordelen, maar brengt ook het risico van meer bureaucratie met zich mee.

Er moet nog veel worden vastgelegd en afgesproken wil de samenwerking niet uitmonden in een drama.

Overigens wordt er al samengewerkt binnen Europa. Dat gaat ook vaak goed. De Belgisch-Nederlandse samenwerking wordt door veel landen gezien als het voorbeeld. Maar doordat beide landen gezamenlijk nieuwe fregatten en mijnenjagers willen bouwen, blijkt ook hoe afhankelijk landen van elkaar worden. In BelgiŽ is men niet erg gelukkig met de trage Nederlandse besluitvorming, of eigenlijk het ontbreken ervan.

Een heel belangrijke, zo niet de belangrijkste samenwerkingspartner, van de Nederlandse en Belgische marine doet echter niet mee aan de Europese plannen: Groot-BrittanniŽ. De Royal Navy is al sinds jaar en dag cruciale partner op gebied van trainingen van marinepersoneel. Geen Belgisch of Nederlands schip is inzetbaar voor het in Britse wateren door de Royal Navy een complete oorlog heeft moeten doorstaan. Ook is er de veertig jaar oude marinierssamenwerking: UK/NL Amphibious Force. Het is afwachten wat de Europese samenwerking betekent voor de Brits-Nederlandse samenwerkingen, die voor de marine veel belangrijker zijn dan voor land- en luchtmacht.

De marine heeft meer te verliezen. Zowel land- als luchtmacht kopen vaker systemen van de plank. De marine heeft door te ontwikkelen en te bouwen in samenwerking met de Nederlandse kennisinstituten en industrie, bewezen dat het goedkoper en soms beter materieel heeft dan in het buitenland. (Al is ieder schip en onderzeeboot een internationaal project.)

Concrete voorbeelden zijn: als Nederland in plaats van de Walrus een onderzeeboot van de plank had gekocht, dan had het of een onderzeeboot gehad die niet ver van huis kon opereren (een Franse Agosta of Duitse Type 206) of een onderzeeboot die veel duurder was met legio problemen (Britse Upholderklasse, nu Victoriaklasse). Dan had Nederland niet de positie gehad die het nu heeft, en misschien zelfs geen Onderzeedienst meer gehad. Want juist doordat de Amerikanen en Britten met grote boten aan de ene kant en Duitsland, Noorwegen, Denemarken en Zuid-Europese landen met kleine boten aan de andere kant opereren, heeft de KM door zelfstandig een keuze te maken een gat in de markt gevonden.



Het Luchtverdedigings- en Commandofregat is een ander voorbeeld. Dat is een afgeleide van een mislukt internationaal fregattenproject genaamd NFR-90. Nadat dat project uit elkaar spatte, gingen de deelnemende landen in groepjes verder. Van alle fregatten was het LCF als een van de eerste gereed, en als een van de goedkoopste. Daarnaast staat er dankzij een eigen industrie een radar op die veel goedkoper is dan de vergelijkbare Amerikaanse radars en jaren vooruit is op radars van andere landen. Zonder eigen industrie was Nederland veel meer geld kwijt geweest voor minder resultaat.

In de komende jaren is Defensie voor wat betreft de toekomst, meer dan ook afhankelijk van de Nederlandse politiek.



comments powered by Disqus


Marineschepen.nl
Contact
Over deze site
Privacy
Adverteren
Blijf op de hoogte via:
Twitter
Facebook
Flickr
Copyright
Alle rechten voorbehouden.

Sinds 13 augustus 2001



Menu
Nieuwsoverzicht

Gerelateerde artikelen
Internationaal fregat NFR-90