De gedenksteen op Jan Mayen en de marine (Deel I)



Door: Jaime Karremann
Laatst aangepast: 06-08-2014


Op 13 augustus 2014 vertrekt Zr.Ms. Zeeland voor een expeditie met mariniers en wetenschappers naar het Noorse vulkaaneiland Jan Mayen. Een klein onderdeel vormt het restaureren van de gedenksteen die er in 1930 door Hr.Ms. Nautilus werd geplaatst. Het verhaal van de steen blijkt een ijsberg; het begint in de 17de eeuw bij walvisvaarders en loopt via IndiŽ naar Newcastle en lijkt door een ware klucht roemloos ten onder te gaan in Amsterdam.
Marineschepen.nl dook er diep in en u kunt eindelijk het hele verhaal lezen in twee kloeke delen.


Jan Mayen
Jan Mayen met de Beerenberg duidelijk zichtbaar. (Foto: Wikipedia.org)

Lees hier deel II, een fraai en soms humoristisch verslag van de reis van Hr.Ms. Nautilus.

De gedenksteen die Hr.Ms. Nautilus plaatste en die de Zeeland gaat restaureren is voor omgekomen mannen die een dorp van Hollandse walvisvaarders beschermden. Wat de marine met de walvisvaart te maken had? Niets. Maar des te meer met de ijzige, mistige Noordelijke IJszee die iedere zeeman op de proef stelt. Dat in die moeilijke wateren Nederlandse zeelieden hadden gevaren, was iets dat men rond 1900 zo graag wilde verkondigen en daar deed de marine graag aan mee.



Eenzame vulkaanrots in grote mistige en ijzige zee
Jan Mayen is een klein eiland (125 bij max 15 km) in de uitgestrekte Noordelijke IJszee. Het ligt 500 km boven de poolcirkel, zomers is het er gemiddeld 5 graden en 's winters -5 met uitschieters naar -25 graden. De enige vulkaan boven de Noordpoolcirkel torent hoog boven alles en iedereen uit. Het eiland is somber doordat het er haast voortdurend bewolkt of mistig is, al maakt het in de winter helemaal niets uit want dan blijft de zon maanden weg. Wat doen mensen daar op die boomloze, koude rots? Daar moest geld te verdienen zijn.

Inderdaad. Jan Mayen was aan het begin van de 17e eeuw het belangrijkste eiland van de Nederlandse walvisvaart.

De jacht op walvissen had plaats in de zomer. Om het vet uit de walvissen niet te laten bederven, werd dit direct ter plaatse gekookt en omgezet in olie voor o.a. straatverlichting in de steden. Op Jan Mayen werden traankokerijen, huizen en winkels gebouwd en op het hoogtepunt werkten en leefden daar 1000 mensen. Aan het einde van de zomer verlieten de Hollandse walvisvaarders Jan Mayen.

Maar toen 's winters de concurrentie het verlaten eiland bezocht had en de nederzetting was leeggeroofd, besloten de Hollanders een groep bewapende mannen achter te laten. Maar de overwintering mislukte; na acht maanden kou en ellende waren de zeven dood.

Tegen het einde van de 17e eeuw was het aantal walvissen in de wateren rond Jan Mayen zo gedaald door de jacht dat het eiland werd verlaten en men er niet meer aan dacht.

Jan Mayen
Jan Mayen met opnieuw de Beerenberg duidelijk zichtbaar, maar nu geschilderd. Op de voorgrond zijn de rokende traankokerijen afgebeeld, links een dode walvis. Verder naar achteren bevindt zich de rest van het dorp. (Bron: Cornelis de Man, 1639)

Marine in verval
De Koninklijke Marine was er eind 19de eeuw niet best aan toe en een jonge marineofficier maakte zich ernstig zorgen. Laurens Koolemans Beijnen rondde in september 1871 zijn opleiding aan het Koninklijk Instituut voor de Marine in Den Helder af en werd daarna naar de Oost gezonden. Daar ervoer hij hoe de marine geen schim meer was van de eeuwen daarvoor, zo blijkt uit ťťn van zijn brieven in 1879. "Enkele [officieren, JK] blijven maanden lang op de ten anker liggende drijvende kazernes aan boord, zonder ooit voet aan wal te zetten, en de eerste officiers zoowel als de tweede klasses vervullen dan dagelijks nauwkeurig en oplettend de onbeduidendste scheepsdiensten (...). Geen wonder echter dat al de officieren van het ramtorenschip Koning der Nederlanden blij waren toen zij, na zes maanden voor anker gelegen te hebben, veertien dagen in Straat Sunda gingen kruisen."1

Het ging de luitenant ter zee niet om meer geld of meer schepen. Hij wilde de zeemansgeest bij de marine en in Nederland in het algemeen terug. In een eerdere brief schreef hij: "De opleidingsschepen [in Nederland, JK] zijn zoo uitstekend goed, maar waarom moeten die jeugdige, stelselmatig goed gevormde jongens, die dappere zeemanshartjes al dadelijk in IndiŽ in een niet varende marine aan de vuurproef der zon onderworpen worden? In plaats van het gezonde, sterkende leven van een lange oefeningsreis in het Noordelijk halfrond, waarop dag en nacht [geoefend, JK] wordt, en aanhoudend de handen uit de mouw moeten gestoken worden, gaan zij nu op een stoomschip der Maatschappij Nederland als passagiers naar IndiŽ, en dienen jaren lang in een ontzenuwend klimaat op ten anker liggende schepen of op kleine, huiselijk ingerichte stoomscheepjes."2

Koolemans Beijnen
LTZ2 Laurens Rijnhart Koolemans Beijnen (1852-1879). (Bron: Leven en streven van L.R. Koolemans Beijnen door Charles Boissevain)

Naar het noorden voor het echte zeemanschap
Ondertussen zat de rest van de wereld niet stil. De ene na de andere expeditie werd opgezet. Zeevarenden van Noorwegen tot Oostenrijk trokken erop uit om de ijsranden van de wereld te onderzoeken, fotograferen en te ontdekken. Nederland bleef aan de zijlijn.

Beijnen werd in IndiŽ ziek en moest terugkeren naar Nederland. Eenmaal thuis liet hem het idee van verkenningstochten door de marine in de Noordelijke IJszee niet los en klopte in 1875 aan bij kapitein ter zee M.H. Jansen, voorstander van de Noordpoolvaart bij de marine. Het toeval wilde dat de bekende noordpoolvaarder Allen Young juist voornemens was om een ontdekkingsreis in de Noordelijke IJszee te maken en LTZ2 Koolemans Beijnen kreeg toestemming mee te gaan.

Aan boord van de Pandora maakte Koolemans Beijnen voor het eerst kennis met het zeilen tussen ijsschotsen, de mist en vochtigheid, het harde leven boven de poolcirkel. Ook werd zijn mening steeds sterker dat Nederland de zeegaten weer uit moest en naar het noorden moest zeilen. Hij vond dat de Nederlandse driekleur ontbrak in die wateren, terwijl andere landen de ene expeditie na de andere op touw zetten die langs eilanden voerde waar Nederland ooit handel dreef.


Beelden van een arctische oefening van de Amerikaanse marine in 1950. Hieruit blijkt al dat van de zeeman in deze wateren meer wordt vereist.

Een kloeke bemanning en een granieten steen
Beijnen was niet de enige. Steeds meer mensen vonden dat er iets moest gebeuren. Zeker nadat een Noorse onderzoeker de resten van het Behouden Huys van Willem Barentsz. had teruggevonden en dat andere poolvaarders nieuwe namen gaven aan eilanden die al eeuwen eerder door Nederlanders waren vernoemd. Velen waren in hun nationale trots gekrenkt.

De Noren hadden niet alleen de resten van het Behouden Huys gevonden, ze hadden ook veel meegenomen naar Nederland. De resten werden aan adjunct-rijksarchivaris De Jonge overhandigd, groot pleitbezorger van het zichtbaar maken van de Nederlandse historie in de poolgebieden. De Jonge onderzocht de vondsten en schreef een toelichting, die hij besloot met een oproep omdat hij vreesde dat de blootgelegde overblijfselen straks voorgoed zouden verdwijnen. Voor het zover zou zijn wilde hij dat "een Nederlandsch schip met kloeke bemanning worde uitgezonden, om daar in de ijshaven een eenvoudigen gedenksteen van duurzaam graniet op te richten." Daaruit zou volgens De Jonge ook de komende eeuwen blijken dat "wij ten minste de dankbaarheid bewaard hebben jegens hen, wier roem ook nu nog op ons afstraalt."3

De oproep viel in goede aarde. Na de tweede expeditie met Young, besloot Beijnen -met steun van KTZ Jansen en De Jonge- het land warm te maken voor de Noordpoolvaart en het plaatsen van gedenkstenen. Stad en land reisde hij af om in grote en kleine zalen zijn vurig betoog te houden.

Er kwam geld binnen, maar niet genoeg voor een groot schip. Dus liet men een klein zeilscheepje van 24 meter bouwen. De schoener, de Willem Barents, vertrok in 1878 onder leiding van marineofficier LTZ1 A. De Bruijne naar de Noordelijke IJszee. Het Nederlands Aardrijkskundig Genootschap had een belangrijk aandeel gehad in de voorgaande periode en leverde wetenschappers, maar ook het KNMI ging er onderzoek doen, net als wetenschappers van andere disciplines. De Willem Barents nam echter ook gedenkstenen mee om die op historische locaties te plaatsen.4

Willem Barents
De Willem Barents, gebouwd te Amsterdam en na de expedities opgelegd op de Rijkswerf te Amsterdam. (Foto: W.J.A. Grant)

In den mist
De ijsvaart brengt vele ontberingen met zich mee. Zeker in de tijd van houten (zeil)schepen, waarin de officier van de wacht hoog in het kraaiennest half bevroren met een lange kijker de bewegingen van het ijs gade sloeg terwijl hij de zeil- en roerorders naar beneden schreeuwde.
Koolemans Beijnen beschreef in zijn brieven veel hachelijke en ijzig koude momenten. Storm, sneeuw en ijsschotsen die piepend en krakend het schip insluiten.

Maar hij beschreef ook de mist: "Het is moeielijk aan hen, die nimmer in de IJszeeŽn geweest zijn, een flauw denkbeeld te geven van al het onaangename van eenen poolmist. Uren, dagen, weken lang bleef de Willem Barenis in zulk een nevel varen, wat zelfs den vroolijkste aan boord stil, somber en in zichzelf getrokken maakte. Buiten het schip zag men niets als een grauwe dampmassa, die lucht en zee ineen deed smelten en er alle kleur aan ontnam."

"Hoewel de temperatuur der lucht om en bij het vriespunt bleef, waren tuig en zeilen aanhoudend kil, nat en doordrong die aanhoudende dampmassa zelfs de warmste kleeren. Beneden in het schip was het niet droog te krijgen. De met mist bezwangerde atmospheer condenseerde tegen het koude bovendek en veroorzaakte in het logies een voortdurenden drupregen. Op de bedden konden geene lakens meer gebruikt worden, op de matrassen zat de schimmel vingerdik, zoodat men dag en nacht in eene geheel natte omgeving leefde."5

Via Bergen (Noorwegen) koerste het zeilschip eerst naar Jan Mayen. Maar het slechte weer en de vele ijsschotsen verhinderde de Nederlanders om er aan wal te gaan. Het is onduidelijk of er een gedenksteen aan boord was voor Jan Mayen, maar die was er in ieder geval voor o.a. Spitsbergen en Nova Zembla. Alleen de steen voor Amsterdam-eiland (onderdeel van Spitsbergen) kon worden geplaatst. De rest ging mee terug.

In totaal volgden zeven expedities met de Willem Barents. Acht jaar na de expeditie van 1878 werd het schip verkocht en kwam een voorlopig einde aan de Nederlandse ijsvaart.
LTZ2 Koolemans Beijnen was weer in IndiŽ geplaatst waar zijn eerder opgelopen hersenziekte heviger terugkeerde. De kwaal belemmerde hem in zijn werk aan boord van Zr.Ms. Macassar en met een pistoolschot maakte hij er op 27 jarige leeftijd een einde aan.

Pantserdekschip Friesland
Pantserdekschip Hr.Ms. Friesland in 1910. (Foto: G.F.C. Noordhoek Hegt)

Britten brengen steen naar Jan Mayen
De nationale trots van velen werd nog verder gekrenkt. De begraafplaats van de overwinteraars op Spitsbergen was in verval geraakt en werd regelmatig verstoord door bezoekers. Daarop werd besloten om het pantserdekschip Hr.Ms. Friesland (Hollandklasse) in 1906 -met adelborsten- naar Spitsbergen te zenden om de begraafplaats te herstellen.6

Op Jan Mayen stond echter nog geen herdenkingsteken voor de zeven mannen. Daar wilde de Britse Joseph Foster Stackhouse wel wat aan doen. Hij was in 1911 al met toeristen op het eiland geweest en was bereid, indien de Nederlandse regering dat wenste, om tijdens zijn expeditie van 1912 kosteloos een gedenksteen te plaatsen op Jan Mayen.7

Een haast vergeten wens kwam weer naar boven en ons land was de Brit dankbaar. Er werd snel geld ingezameld door het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) en beeldhouwer JGM vd Brand maakte aan de Prins Hendrikstraat 174 te Den Haag een 3.000 kilo zware steen van Noors graniet met de inscriptie: "Outgert Jacobsz van Grootebroek en zijne 6 Hollandsche makkers zijn in april 1634 hier bezweken bij een poging tot overwintering."

Hoewel de zeven mannen volgens de inscriptie geeŽrd worden, is het de vraag of de steen ook echt voor hen bedoeld was. Eigenlijk had het meer met nationale trots te maken en lijkt het meer op een "I was here"-merk voor al die bezoekers rond 1900 aan het eiland. Het lijkt te zeggen: "Hier zijn Nederlanders geweest en ze zijn er ook nog gestorven."

De steen werd verscheept naar Newcastle voor vertrek naar Jan Mayen in juli 1912. Eind goed al goed, dacht men.

Maar de steen werd niet op het eiland gezet. Er wordt gezegd dat toen de Britse expeditie bij Jan Mayen aankwam, de weersituatie zo slecht was dat van een landing geen sprake kon zijn.8 Of Foster Stackhouse in 1912 Łberhaupt met steen naar het eiland is gevaren is echter niet zeker. Er is in de vele online archieven niets terug te vinden over een reis van 1912. Over die van 1911 ruim voldoende, evenals over de plannen van 1915. Wel had Foster Stackhouse begin 1912 plannen voor een reisorganisatie met bestemming Spitsbergen en Jan Mayen, met een eerste vertrek in juli 1912. Dat bedrijf kwam niet van de grond.9

In Nederland had men weinig of niets meer van de poolvaarder vernomen. Langzaam raakte het verhaal in de vergetelheid en de mensen die het zich nog konden herinneren namen aan dat de steen op het eiland stond. Zo herinnerde een redacteur van de Telegraaf het verhaal van Jan Mayen inclusief steen en schreef een uitgebreid verhaal dat besloten werd met: "Later is de steen toch overgebracht en geplaatst."10

Joseph Foster Stackhouse
Joseph Foster Stackhouse had de Nederlandse regering aangeboden om de gedenksteen naar Jan Mayen te brengen, maar slecht weer zorgde ervoor dat zijn missie niet slaagde. Drie jaar later kwam hij om aan boord van passagiersschip RMS Lusitania, dat door de U-20 tot zinken werd gebracht.

Het mysterie van de steen
Op een dag in de winter van 1925/ 1926 werd in de Waag te Amsterdam een zwaar steenblok ontdekt.11 De Rijkscommissie voor de monumenten werd ingeschakeld om meer informatie over de vondst te achterhalen. Die wendde zich tot het Gemeentebestuur en op het Stadhuis braken tal van diensten en bedrijven zich het hoofd over het zware blok.

Steeds meer mensen gingen zich bezighouden met de mysterieuze steen op de Nieuwmarkt, waar vroeger de gemeente-archivaris zetelde. Maar ook hij kende de steen niet, hij wist alleen dat die steen er in 1914, toen het archief verhuisde naar een andere locatie, niet was.

Ondertussen werd de steen door archeologen van Rijksmonumentenzorg aan een grondig onderzoek onderworpen. De deskundigen ontdekten dat het om een zeer oud gesteente ging. Alleen de inscriptie moest nieuw zijn, maar die stelde de onderzoekers voor een raadsel. Immers stond er niets anders dan dat zeven Hollanders hier waren bezweken bij een poging tot overwinteren. Overwinteren? Waar is hier? Toch niet op de Nieuwmarkt? Maar waar dan wel?

Men kwam er niet uit en de kwestie bleef liggen. Na maanden hoorde een bestuurslid van het KNAG van de mysterieuze steen, naar verluidt tijdens een diner. "Toen legde deze tafelbuur in stomme verbazing mes en vork neer en zei zoo iets als: Wel allemachtig, dat is onze steen, die wij dachten dat op Jan Mayen stond."12

In de Waag was geen plaats meer voor de steen. Het kwam daarna terecht in de tuin van het Koloniaal Instituut te Amsterdam Oost, het tegenwoordige Tropenmuseum.

Het is natuurlijk vreemd hoe een 3.000 kilo wegend blok graniet uit het oog kan raken. Hoe de steen van Newcastle naar Amsterdam is vervoerd is nooit duidelijk geworden. Amsterdam heeft er nooit een cent voor betaald en niemand herinnerde zich de steen te hebben vervoerd. Maar de Eerste Wereldoorlog heeft er waarschijnlijk wel wat mee te maken. Foster Stackhouse had na het overlijden van zijn vriend en ontdekkingsreiziger Robert Falcon Scott in maart 1912 zijn zinnen gezet op een expeditie naar de Zuidpool.13 De Brit voorzag een grootscheepse expeditie en begon met werving van personeel en de aankoop van een schip.

Foster Stackhouse was in de Verenigde Staten in verband met de voorbereiding op de expeditie en keerde in het voorjaar van 1915 terug naar Groot-BrittanniŽ met het passagiersschip RMS Lusitania. Naar verluidt zou juist toen de oud-marineofficier in het cafť uitlegde dat de Lusitania te snel was voor Duitse U-boten, het schip vaart hebben geminderd en getroffen zijn door een torpedo van de U-20.14 De Lusitania zonk en Foster Stackhouse was ťťn van de 1.195 slachtoffers.

Mogelijk kwamen zijn erfgenamen de steen na zijn dood tegen en hebben die vervolgens naar Amsterdam gezonden.



Als een blok op z'n maag
Of Foster Stackhouse de steen alsnog op Jan Mayen had geplaatst als hij niet aan boord van de Lusitania was gestapt, zullen we nooit weten. Maar wat wel interessant is, is dat de Brit toen hij het voorstel deed om een gedenkteken te plaatsen, nog niet wist dat die Hollandse landrotten met een 3.000 kilo zwaar blok op de proppen zou komen. Jan Mayen had (heeft) geen haven, geen kade, geen kranen, geen wegen, geen vrachtwagens om het gevaarte te lossen en naar z'n plaats te krijgen. Het zou niet vreemd zijn als Foster Stackhouse behoorlijk met de steen in z'n maag heeft gezeten, want hoe had hij het aan land moeten krijgen? Zo'n granieten blok met een paar man uit een sloep het rotsige strand op sjouwen is onmogelijk.
Hij deed het dus niet en misschien heeft hij het blok zelfs nooit aan boord genomen.



Nieuw aanbod
Na al die jaren bleek de steen dus weer in Nederland te zijn. In 1927 leek het er even op dat de gedenksteen met een passagiersschip van de Rotterdamsche Lloyd mee kon, maar dat ging niet door.

In 1929 kwam een nieuw aanbod. Ditmaal was het de Fransman J.B. Charcot die aanbood om de steen naar Jan Mayen te brengen. Dat werd het KNAG toch echt teveel en verzocht de Minister van Defensie om een marineschip naar Jan Mayen te sturen en de steen te plaatsen: "Dit zou heel wat meer voor onze nationale waardigheid spreken dan dat dit geschiedde door een, hetzij dan een beroemde Fransman."15

Het verzoek werd goedgekeurd. Wat de exacte overwegingen waren is niet bekend. Het leverde de marine in ieder geval veel publiciteit op. De kranten stonden bol van de verhalen over Jan Mayen, de steen en het marineschip dat de klus ging klaren.

In deel II het verhaal over Hr.Ms. Nautilus dat met (een deel) van de gedenksteen naar het noorden reisde, over de gevaren van de Noordelijke IJszee en de reis gezien door de ogen van een journalist en de commandant.

Noten
1. Boissevain, C.; Leven en streven van L.R. Koolemans Beynen, Tjeenk Willink (Haarlem, 1880)
2. Ibidem
3. Ibidem
4. Hacquebord, dr. L., Honderdvijfentwintig jaar Nederlands onderzoek in poolgebieden, rede uitgesproken op dinsdag 10 oktober 1995
5. Boissevain, C.; Leven en streven van L.R. Koolemans Beynen, Tjeenk Willink (Haarlem, 1880)
6. MŲrzer Bruyns, W.F.J.; De tochten van de Willem Barents naar het noorden (1878-1884), geraadpleegd op 29 juli 2014
7. Algemeen Handelsblad; Een gedenksteen in het Noorden, 3 april 1912, pp. 1
8. Hacquebord, dr. L., Honderdvijfentwintig jaar Nederlands onderzoek in poolgebieden, rede uitgesproken op dinsdag 10 oktober 1995
9. Kruse, F., Frozen Assets: British mining, exploration, and geopolitics on Spitsbergen, 1904-53, Rijksuniversiteit Groningen, 2013
10. Broer Jansz., Jan Mayen-Eiland, De Telegraaf, 7 oktober 1924
11. Algemeen Handelsblad, Gedenksteen voor Jan Mayen-Eiland, De geschiedenis van een zwerfsteen; van Amsterdam naar ... Amsterdam, 10 oktober 1926
12. Wijs, J.Th.M., Met Harer Majesteits Nautilus naar Jan Mayen, Tilburgsche Courant, 23 juli 1930
13. Hawera & Normanby Star The Stackhouse Expedition, 7 februari 1914
14. Baker, N. et al Commander Foster Stackhouse, The Lusitania Resource, geraadpleegd op 4 augustus 2014
15. Hacquebord, dr. L., Honderdvijfentwintig jaar Nederlands onderzoek in poolgebieden, rede uitgesproken op dinsdag 10 oktober 1995
16. Algemeen Handelsblad, Met de "Nautilus" naar Jan Mayen, 23 juli 1930



Marineschepen.nl
Contact
Over deze site
Adverteren
Blijf op de hoogte via:
Twitter
Facebook
Flickr
Copyright
Alle rechten voorbehouden.

Sinds 13 augustus 2001



Menu
Dossiers

Gerelateerde artikelen
De Nautilus naar Jan Mayen
Zr.Ms. Zeeland