Marineschepen.nl
 
   
 

Kaapvaart, twee gezichten - Uit de 'Canon van de Koninklijke Marine'


Door: Anne Doedens en Matthieu Borsboom
Bericht geplaatst: 02-04-2021 | Laatst aangepast: 02-04-2021


Piraterij is en blijft actueel. Ooit werd de marine opgericht om de koopvaardij te beschermen tegen onder andere piraten, kreeg het zelf opdracht om buit te vergaren en werd onlangs besloten dat ook particuliere bedrijven Nederlandse schepen mogen beschermen tegen piraten. Marineschepen.nl publiceert in samenwerking met uitgeverij Walburg Pers drie vensters uit de Canon van de Koninklijke Marine en in dit eerste venster: de kaapvaart.

Tunis
Gezicht op Tunis. Reinier Nooms, 1662-1668. Rijksmuseum, Amsterdam.

Dit is een venster (hoofdstuk) uit het boek 'De Canon van de Koninklijke Marine', geschreven door Anne Doedens en Matthieu Borsboom, dat in 2020 werd gepubliceerd. Het boek is verkrijgbaar via de webshop van de Walburg Pers.

In de late zestiende eeuw kaapte de marine van de nieuwe Republiek zelf, drie en een kwart eeuw later joeg ze alleen nog maar op kapers …

De kapers die watergeuzen genoemd worden stonden aan de wieg van de marine van de nieuwe staat. De historicus J.C.A. de Mey schrijft:

‘Vanaf 1572 ontwikkelt zich een Hollands-Zeeuwse marine […] die na 1585 in regelrechte confrontatie kwam met een Zuid-Nederlandse [Spaanse] marine.’

Kaperbrieven van een soevereine vorst als Willem van Oranje legitimeerden het nemen van buit en vijandelijke schepen. Geuzen-admiraal Adriaen van Bergen alias Dolhain maakte op die manier vanaf september 1572 honderden koopvaarders prijs. Watergeuzen als Nicolaes Ruychaver en Lancelot van Brederode joegen met hun schepen vanuit Emden op buit en Willem II van der Marck, beter bekend als Lumey zou in 1572 Den Briel innemen. Wie zonder kaperbrief werkte, was vrijbuiter of piraat, een benaming die ook op de watergeuzen van toepassing is. Hun acties waren vaak illegaal ondernomen zonder kaperbrief. Soms trad Oranje op tegen geuzen die hij dan wetteloze vrijbuiters moest noemen.



Profijtelijke kaapvaart kwam meer in handen van burgers
Vanaf 1574 was de geus Lodewijk van Boisot luitenant-admiraal van Zeeland, Holland en West-Friesland. Omdat er dat jaar een grote Spaanse vloot werd verwacht, lieten de Staten van Zeeland de Zeeuwse steden twintig schepen uitrusten. De prins zou een tiende van de buit toucheren, het gewest een vijfde, de rest was voor de kapiteins en het scheepsvolk. Een echte oorlogsvloot was er nog niet.

In 1575 werden de admiraliteiten van Zuid- en Noord-Holland ingesteld. In datzelfde jaar werd bepaald dat de vijand alleen in opdracht van prins Willem te water bestreden mocht worden. Langzamerhand kreeg de kaapvaart steeds meer het karakter van commerciële oorlogsvaart, uitgevoerd door ondernemende burgers. De kaapvaart was profijtelijk: tussen april 1575 en april 1577 leverde het Zeeuwse prijzenhof al 72.000 ponden Vlaams op, vergelijkbaar met twaalf miljoen euro aan koopkracht nu.

De kans op buit maakte dat vooral Zeeuwse burgers intensief bij de oorlogvoering betrokken raakten, hoewel tot 1578 uit Amsterdam gevluchte burgers toestemming hadden de scheepvaart op hun stad te onderscheppen. (De stad was tot dat jaar koningsgezind.)

In oktober 1575 constateerden de Zeeuwse Staten dat ze alleen maar particuliere vrijbuiterschepen ter beschikking hadden. Een aantal eeuwen was kaapvaart een Zeeuws specialisme. Het leverde de Zeeuwen in de zeventiende eeuw de naam ‘nieuwe geuzen’ op. Ook in Holland werden in enkele steden schepen uitgerust voor die kaapvaart, maar niet vanuit Hoorn en Enkhuizen. De buit mochten de kapers zelf houden. De gewestelijke oorlogsschepen werden gecommandeerd door vrijbuiterkapiteins omdat zij gemakkelijk aan ervaren scheepsvolk konden komen.

Kaart
Kaart van de kust bij Duinkerken en van de Vlaamse kust van Walcheren tot Boulogne. Anoniem, 1631. Rijksmuseum, Amsterdam.

Nieuwe organisatie
Vanaf de late zestiende eeuw organiseerden vijf admiraliteiten de strijd ter zee en de bescherming van koopvaarders en vissers [zie Venster 4]. Deze nieuwe organisaties verstrekten in opdracht van de Staten-Generaal kaperbrieven en bepaalden de rechtsgeldigheid van de prijsnames. Veel kaperbrieven werden aan schippers van de WIC of de VOC gegeven, zoals aan Piet Hein, de veroveraar van de Zilvervloot, die zelf het leven zou laten bij een expeditie tegen kapers.

Strijd tegen kapers
Intussen bleef het verschil tussen kaapvaart en zeeroof niet altijd makkelijk vast te stellen. Soms ging het om kapingen van schepen uit landen waarmee de Republiek niet in oorlog was. In 1611 gaf de Engelse koning – noodgedwongen en met tegenzin – de Republiek toestemming om in Engelse wateren te patrouilleren. Engelse piratenschepen werden veroverd, maar toen Lambrecht Hendricksz. Verhouven, alias ‘Moyen Lambert’, daarbij een Engelse oficier en burgers doodde, kwam hieraan een einde.

In 1618 moest dezelfde ‘Moyen Lambert’ Barbarijse zeerovers – van de Noord-Afrikaanse kust – opsporen en ‘destrueren’ (vernietigen) en hun zoveel ‘schrik ende vreese’ aanjagen dat zij het roven voortaan wel zouden laten.

Niet de minsten vielen in handen van de kapers. Maerten Harpertsz. Tromp werd in 1609 als elfjarige gevangengenomen, kwam vrij, maar was in 1621 opnieuw een jaar gevangene van de Bey [heerser, stadhouder van de Turkse sultan] van Tunis. Achttien jaar later zou hij tijdens de Slag bij Duins tegen de Spaanse ‘Tweede Armada’ Duinkerker kapers aanpakken. De Duinkerkse oorlogsvloot – particulieren en oorlogsschepen – vormden een regulier onderdeel van de Armada del Norte [zie Venster 7]. De Ruyter trad 1661 en 1663 op tegen de Barbarijse zeerovers en dwong uiteindelijk een verdrag af. Overeenkomsten als deze hielden geen stand. ’s Lands vloot zou nog lang op moeten treden tegen de Barbarijse en Duinkerker kapers, maar werkte er soms ook mee samen. Zo streed de beruchte Duinkerker kaper Jean Bart of Baert in 1667 aan de zijde van Michiel de Ruyter tijdens de tocht naar Chatham.

Spotprent
Spotprent op Jacques Colaert, kapercommandant van Duinkerken. Salomon Savery, 1636. Rijksmuseum, Amsterdam.

De buit
Hoeveel schepen werden genomen of verloren? Professor Bruijn citeert Samuel Pepys, secretaris van de Engelse admiraliteit, die wist te vertellen dat tijdens de drie Engels-Nederlandse Oorlogen (1652-1654, 1665-1667 en 1672-1674) 2.000 tot 2.500 Nederlandse schepen waren prijsgemaakt [zie de Vensters 11, 12 en 13].

‘Engelse tijdgenoten’, schrijft Bruijn, ‘meenden dat hun land viermaal meer prijzen maakte dan het zelf schepen kwijt raakte’. Scepsis is hier op zijn plaats. De Nederlandse koopvaardij- en vissersvloten waren veel groter dan de Engelse, maar de Nederlandse oorlogsvloot die hen beschermde was op zijn minst gelijkwaardig. Het geschetste beeld komt evenmin overeen met de bloei van de Zeeuwse kaapvaart.

De Nederlandse kaapvaart bereikte zijn grootste omvang en successen tijdens de Negenjarige Oorlog (1689-1697) en de Spaanse Successieoorlog (1701-1713), maar was nadien vrijwel te verwaarlozen.

Marine bleef actief tegen kapers en piraten
Intussen bleven Nederlandse marineschepen wel optreden tegen de kaapvaart. Met name tegen kapers uit de Barbarijse staten Algiers, Marokko en Tunis. Maar ook werden diplomatieke middelen ingezet, zoals in 1730. In dat jaar bracht Cornelis de Schrijver met zijn eskader het jaarlijkse geschenk van de Staten-Generaal aan de heerser van Algiers, een kapersnest bij uitstek. Zo hoopte het landsbestuur het kapen af te kopen. De Schrijver wist toen ook twee met zilvergeld geladen VOC-schepen vrij te krijgen, maar moest wel de helft van de lading achterlaten. In de jaren 1755-1757 was ons land weer in oorlog met Algiers, niet voor de laatste keer. In 1816 werd door een Engels-Nederlandse vloot de stad Algiers gebombardeerd [zie Venster 20]. In de Verklaring van Parijs van 1856, uitgegeven na afloop van de Krimoorlog, verboden de belangrijkste Europese staten de kaapvaart in oorlogstijd. Ook Nederland ondertekende dit document. De in Venster 24 beschreven oorlog tegen Atjeh was eveneens een oorlog tegen piraterij.

Johan de Witt
Zr.Ms. Johan de Witt. (Foto: Nederlands Instituut voor Militaire Historie, Den Haag.)

Strijd tegen de moderne piraat
In de twintigste en eenentwintigste eeuw verdween kaapvaart, maar piraterij bleef. Tussen 1993 en 2003 verdrievoudigde het aantal gevallen van piraterij. Ieder jaar gaat door piraterij nog steeds voor een bedrag van dertien tot zestien miljard dollar verloren. In de omgeving van Somalië, in de Rode Zee, de Indische Oceaan en de Straat van Malakka lopen de 50.000 schepen die daar jaarlijks varen, grote risico’s. Piraterij komt ook elders voor, zoals bij de westkust van Afrika.

Landen als Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland hechten ook nu veel waarde aan een vrije doorvaart. Op 1 april 2008 stemde de Tweede Kamer in met het inzetten van Nederlandse schepen voor de EU-operatie Atalanta (officieel EU NAVFOR) die in december 2008 begon en nog steeds voortduurt. EU NAVFOR is actief in een zeer uitgestrekt operatiegebied dat de zuidelijke Rode Zee, de Golf van Aden en een groot deel van de Indische Oceaan omvat, evenals het Somalische kustgebied en de territoriale en interne wateren van dat land. Een oppervlakte van ongeveer 4.700.000 vierkante zeemijlen. Vanaf 2010 deed Nederland ook mee aan de NAVO-operatie Ocean Shield (2009-2016) bij de Hoorn van Afrika. Bij deze twee operaties waren Zr.Ms. Evertsen, Zr.Ms. Tromp, Zr.Ms. Johan de Witt, Zr.Ms. De Zeven Provinciën en de voormalige Hr.Ms. Amsterdam betrokken.

De acties waaraan ook de onderzeeboot Zr.Ms. Bruinvis meedeed en die soms onder commando van een Nederlandse bevelhebber werden uitgevoerd, hadden effect.


Bevrijding van containerschip Taipan.

Een spectaculaire actie vond op 5 april 2010 plaats toen Hr.Ms. Tromp met mariniers het Duitse containerschip Taipan ontzette. Alle Somalische kapers werden gevangengenomen.

Vonden er in 2011 nog 211 piraterijacties in het enorme zeegebied voor de kust van Somalië plaats, in 2014 waren dat er twaalf en nadien nog minder.
In 2017 keerde Zr.Ms. Rotterdam in Nederland terug van een antipiraterijmissie. Dit schip is een Landing Platform Dock (LPD), waarvandaan helikopters amfbische operaties kunnen ondersteunen. Tijdens acties werd ook gebruikgemaakt van LCPV's, kleinere landingsvaartuigen. Het optreden van marine-eenheden van de verschillende deelnemende landen werd gecoordineerd op een maandelijkse zitting genaamd Shared Awareness and Deconfliction (SHADE). Afgevaardigden van de NAVO, de EU en de Combined Maritime Forces (CMF) woonden deze zittingen bij.

Al met al blijkt piraterij al eeuwen een moeilijk uit te roeien fenomeen. Verslapt de aandacht dan duikt het direct weer op.

Tekst
Van kaper tot kaperjager. Cornelis Evertsen de Jonge schreef op ’s lands schip Swanenburgh bij Cadiz op 23 december 1673:

‘Alhier leggen 14 caepers, daer onder fregatten van 20 tot 36 stucken canon, zij seggen dat expres gezonden sijn om te cruijsen op een seer rijck geladene Engelse vloot […]. Den capiteijn Binckes en ick hebben […] met haer gecontracteert, om gesamentlijck op dese vloot te cruijsen en deselve rencontrerende aen te tasten, onder conditie, dat dese 14 caepers […] [van de buit een zestiende deel krijgen; de rest wordt fifty fifty verdeeld].’

(Uit: C. de Waard ed., De Zeeuwsche expeditie naar de West onder Cornelis Evertsen den Jonge, 1672-1674. Nieuw Nederland een jaar onder Nederlandsch bestuur (Den Haag 1928), p. 120.)

René Luyckx, Commandant van Zr.Ms. Johan de Witt in maart 2015:
‘Ik verwacht niet dat wij nog te maken krijgen met actieve piraterij. De aanwezigheid van marineschepen en de beschermende maatregelen die de koopvaardijschepen hebben genomen, voorkomen dat. Ik denk dat je goed gek moet zijn om nu als piraat nog een schip te kapen.’ (Bron: Marineschepen.nl.)

Meer lezen
J.R. Bruijn, ‘Kaapvaart in de tweede en derde Engelse oorlog’, in: Low Countries Historical Review, 90(3) (1975), pp. 408–429;

H.J. den Heijer, ‘Daders en slachtoffers: de Nederlandse betrokkenheid bij kaapvaart en piraterij’, in: Leidschrift. Historisch Tijdschrift 26(3) (2011), pp. 7-23; G. Teitler e.a., Zeeroof en zeeroofbestrijding in de Indische Archipel (19e eeuw) (Amsterdam 2005);

Johan Francke, ‘“Een sware equipage”; de bemanningen van de admiraliteit Zeeland en de commissievaart tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697)’, in: Tijdschrift voor Zeegeschiedenis 19 (2000) 2, 119-140;

A.P. van Vliet, ‘Kaapvaart als een middel voor economische en maritieme oorlogvoering 1568-1702’ en ‘De Vlaamse, Zeeuwse en Hollandse optie’, in: V. Enthoven, G. Acda en A. Bron (red.), Een saluut van 26 schoten. Liber Amicorum aangeboden aan Ger Teitler (Amsterdam 2005), 295-308.

Lieu de mémorie
In het scheepvaartmuseum van Duinkerken (Musée Portuaire, Quai de la Citadelle 9, Dunkerque) is veel informatie over de kapers uit die stad te vinden.
Zie ook: www.museeportuaire.com.


Canon

Dit venster is lezers van Marineschepen.nl aangeboden door uitgeverij Walburg Pers. Lees alle vijftig vensters in het boek 'De Canon van de Koninklijke Marine; Geschiedenis van de zeemacht', geschreven door Anne Doedens en Matthieu Borsboom.

Het boek is verkrijgbaar via de webshop van de Walburg Pers.



comments powered by Disqus




Marineschepen.nl
Contact
Over deze site
Adverteren
Blijf op de hoogte via:

Twitter

Facebook

Instagram

Copyright

Alle rechten voorbehouden.

Sinds 13 augustus 2001



Menu
Dossiers

Gerelateerde artikelen
Nieuw boek: Canon Koninklijke Marine