Groot-Brittannië kan in 2033 beschikken over het eerste nieuwe amfibische transportschip. Dat stelt minister van Defensie Maria Eagle na vragen vanuit het Britse parlement. Bij het ontwerp van de nieuwe amfibische transportschepen wordt samengewerkt met de Nederlandse marine, maar identiek zullen de schepen niet worden.
Een van de vroege concepten van MRSS door BAE Systems. (Beeld: BAE Systems)
In Groot-Brittannië wil men vanaf 2033 de drie schepen van de Bayklasse en het ondersteuningsschip RFA Argus vervangen, schrijven Britse media. Deze schepen zullen in 2034 uit dienst worden gesteld en dus is men begonnen met een vervangingsprogramma.
Volgens Maria Eagle ligt het project voorlopig nog op schema en dus zal het eerste amfibische transportschip in 2033 zijn opwachting maken.
Dit programma heeft de naam Multi-Role Support Ship (MRSS) gekregen en wordt betaald vanuit het budget van het Britse ministerie van Defensie. De nieuwe schepen zullen, net als hun voorgangers, echter niet onder de Royal Navy vallen, maar onder de Royal Fleet Auxiliary (RFA). De RFA opereert met ondersteuningsschepen zoals bevoorraders en amfibische transportschepen, in samenwerking met de Britse marine.
Brits-Nederlandse samenwerking
Voor de ontwikkeling van deze schepen werd een Brits-Nederlandse samenwerking op poten gezet. De mariniers van de twee landen werken al zeer lange tijd nauw samen en dus lag een gezamenlijk project voor de hand.
De Britse marine zocht zelf toenadering tot Nederland en in juli van 2023 werd in Den Helder aan boord van HMS Albion (Albionklasse) een letter of intent getekend. Aangezien Nederland van plan is om de Hollandklasse patrouilleschepen, samen met de amfibische transportschepen Zr.Ms. Rotterdam en Zr.Ms. Johan de Witt te vervangen, kwam dit goed uit.
Beide landen onderzochten hoe de samenwerking vorm kon krijgen. Besloten is om geen identieke schepen na te streven, zo bleek uit antwoorden van staatssecretaris van Defensie Gijs Tuinman in mei van dit jaar op enkele vragen van de vaste commissie voor Defensie.
Tuinman stelde in zijn antwoorden dat Defensie zich houdt aan de NAVO-specificaties en eisen voor interoperabiliteit tussen schepen uit verschillende landen. De staatssecretaris benadrukt dat dit niet betekent dat elk land met hetzelfde systeem werkt, maar dat er wel samenwerking mogelijk is. Aangezien de amfibische transportschepen vooral door mariniers gebruikt worden, zal het mogelijk zijn dat Nederlandse landingsvaartuigen kunnen opereren vanaf de Britse schepen. Andersom is hetzelfde mogelijk.
De verschillen tussen de Nederlandse en Britse schepen zullen vermoedelijk vooral bestaan uit omvang. Nederland kiest voor kleinere schepen, maar mogelijk zijn er wel identieke subsystemen zoals hijsinstallaties, dokfaciliteiten, helikopterinstallaties, voortstuwing en modulaire systemen voor de accommodatie.
Dit plan zal verder uitgewerkt worden samen met de Britten als het project zich in de B-fase bevindt. Dan wordt er ook een afweging gemaakt wat betreft de kosten van de ontwikkeling van de nieuwe amfibische transportschepen.
Vervanging en afstoting
Als alles volgens plan verloopt, worden er bij de Royal Navy vier schepen vervangen. Dit zijn RFA Lyme Bay, RFA Mounts Bay en RFA Cardigan Bay van de Bayklasse. Deze schepen zijn gebaseerd op het Enforcer-ontwerp van Damen en sinds 2006 en 2007 in dienst van de RFA. Ondersteuningsschip RFA Argus wordt ook vervangen. Dit schip werd in 1988 in dienst gesteld.
De Britse marine zelf heeft ook amfibische schepen: HMS Albion en HMS Bulwark. Deze schepen worden echter vervroegd uit dienst gesteld. Het Britse Ministerie van Defensie maakte eind november bekend afscheid te moeten nemen van de twee landing platform docks, samen met het Type 23 fregat HMS Northumberland.
Auteur: Tobias Kappelle Tobias werkt sinds augustus 2020 als freelance journalist voor Marineschepen.nl. Daarnaast is hij vooral actief in de sportjournalistiek bij onder andere AD Sportwereld, Eurosport en Hockey.nl. Tobias studeerde Geschiedenis en Bestuurs- en Organisatiewetenschappen aan de Universiteit Utrecht en deed een master Media & Journalistiek aan de Erasmus University Rotterdam.